Positive psychology met gereformeerde ogen

Een paar jaar geleden volgde ik colleges in coaching vanuit het model van positive psychology. Dat is een breed gedragen stroming die ervan uitgaat dat het beter werkt om positieve energie te bevorderen dan om negatieve blokkades te bestrijden. Je ziet het tot in het komische toe, als het bordje “Kassa gesloten” vervangen wordt door “Wij helpen u graag aan een andere kassa”.

Bij coaching vraagt het trouwens veel meer dan complimentjes geven. Mijn eerste herinnering is aan het geven van kern-feedback: niet zozeer dat iemand iets goed gedaan heeft als wel vanuit welke kernkwaliteiten hij dat deed. Dat sluit aan en biedt verdieping bij wat ik als eigen praktijk heb. Soms zeg ik wat schertsend dat mijn werk uit niets anders bestaat dan mensen bemoedigen om hun bijdrage te leveren vanuit de hun gegeven talenten. Ik heb de verdieping toegepast en er het nut van ervaren.

Terwijl dit aansluit bij mijn eigen praktijk, brengt de expliciete verwoording ervan natuurlijk wel vragen naar boven over de vraag of dat nu wel kan: zonder meer positieve benadering. Hoe verhoudt dat zich tot het reformatorische grondmodel van schepping, zondeval en verlossing en tot de confessionele trits van ellende, verlossing en dankbaarheid? In de beleving van minstens buitenstaanders immers is de gereformeerde belijdenis samen te vatten als veel nadruk op zonde en het wordt ook niks. Ik maak nu ruimte om daarover te reflecteren.

Vriend van zondaren

Wat mij intrigeert aan het optreden van Jezus is dat hij een wonderlijke combinatie heeft van ethische duidelijkheid en een enorme aantrekkingskracht op zondaren. “Vriend van zondaren” werd hij wel genoemd en dat is niet hoe kerkmensen en dus ik zelf overkomen. Ik ken wel mensen die “vriend van zondaren” kunnen heten omdat ze niet zo moeilijk doen over zonde. Ik ken ook mensen die een aanstekelijke heiligheid hebben maar daar voel ik me als zondaar niet zo thuis. Jezus combineert die twee. Nu zou het een valkuil zijn om het evangelie met terugwerkende kracht zo te willen lezen dat Jezus eigenlijk een positive psychologist avant la lettre wordt. Dat is hij natuurlijk niet. Maar hoe combineert hij dan die helderheid met zijn aantrekkelijkheid voor zondaren? Het valt me op dat Jezus in zijn contact met mensen eigenlijk nooit begint over hun zonden.

Uitzondering zou misschien de verlamde man zijn die door vrienden binnengebracht wordt en tegen wie hij zegt “uw zonden zijn u vergeven”. Maar dat kan nauwelijks als beschuldiging worden ervaren in de setting waarin de heiland door de Geest gezien heeft dat deze broeder juist door zijn schuldbesef verlamd was.

Doorgaans zien we dat Jezus juist eerst indringend contact legt voordat hij toekomt aan een gesprek over de zonden. Tegen Zacheus in de boom zegt hij “ik moet heden in uw huis zijn” en dan wordt er eerst goed gegeten. Tegen Levi zowel als tegen de rijke jongeling zegt hij “volg mij”, daarmee de ban brekend waarin beiden gevangen zaten. Juist de verbinding en zeker de verbinding bij de maaltijd maakt ruimte voor een echte ontmoeting die ook een grondige correctie omvat. Daarmee heb ik alleen nog maar iets gezegd over de structuur van Jezus’ benadering. Je hoeft er natuurlijk niet aan te twijfelen dat zijn onvoorwaardelijke liefde voor zondaren minstens zoveel invloed had. Zowel die liefde als de structuur van zijn ontmoetingen is evenwel te zien als een vorm van positive approach.

Ik dank God als ik aan u denk

Datzelfde herken ik in de manier waarop Paulus de verschillende kerken benadert in zijn brieven. Het is niet allemaal glorie en vrolijkheid in die kerken – hij moet nogal eens flink uithalen. Maar steevast begint hij elk van zijn brieven met een dankzegging aan God voor al het goede dat er in die gemeente gevonden wordt. De inhoud van die dankzegging is een grondige bestudering waard. Het is bepaald meer dan een captatio benevolentiae want het zijn geen geijkte woorden.

1 Korinthiërs 1 – 4 Ik dank mijn God altijd voor u, omdat hij u in Christus Jezus zijn genade heeft geschonken. Door hem bent u in elk opzicht rijk geworden. Alles wat u zegt en al uw kennis bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is, en hierdoor ontbreekt het u terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de Geest. 

Filippenzen 1 – 3 Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, telkens wanneer ik voor u allen bid. Dat doe ik vol vreugde, omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. Ik ben ervan overtuigd dat hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voltooien op de dag van Christus Jezus.

Kolossenzen 1 – 3 In al onze gebeden danken wij God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, voor u, want we hebben gehoord dat u in Christus Jezus gelooft en alle heiligen liefhebt, omdat u hoopt op wat in de hemel voor u gereed ligt. Daarover hebt u gehoord toen aan u de waarheid verkondigd werd en het evangelie u bereikte. Overal in de wereld draagt het vrucht en groeit het, ook bij u, vanaf de dag dat u over Gods genade hoorde en de ware betekenis ervan begreep.

Het is een hele uitdaging om Paulus hierin na te volgen. Ik heb een groep theologische studenten in Calcutta bij wijze van proef de opdracht gegeven: zoek uit in elk van Paulus’ brieven: waar dankt de apostel God voor en waarom vertelt hij dat aan die gemeente? En daarna: doe als Paulus voor je eigen gemeente – waar dank je dan voor en hoe vertel je het hun? Je kon merken hoe onwennig dat was: de studenten kwamen met verhalen over wonderbaarlijke genezingen en bekeringen die ze hadden zien gebeuren. Heel mooi, maar nog niet in Paulus’ lijn.

Je herkent namelijk in boven geciteerde teksten wat wij nu zouden noemen dat Paulus kernkwaliteiten benoemt van de gemeente. Hij dankt niet alleen voor wonderen die God onder hen gedaan heeft of voor mooie dingen die ze zelf gepresteerd hebben, maar voor de mentaliteit van de leden die eruit spreekt. Het getuigenis over Christus is bij jullie verankerd, u hebt willen bijdragen aan de verspreiding van het evangelie, u hebt geloof hoop en liefde. Daar dankt hij God voor – en dat vertelt hij nog aan betrokkenen ook.

Positieve insteek

Het moge duidelijk zijn dat deze positieve benadering niet in mindering komt op het feit dat de apostel verderop in de brief soms pittige kritiek levert. Toch is de positieve insteek daarbij van groot belang. Voorgangers in onze tijd kunnen daar nog altijd veel van leren. Scherper geformuleerd: ik heb daar zelf veel van geleerd. Ik heb tijden gekend waarin ik teleurgesteld raakte binnen mijn bediening en waarin ik mijn eigen gemeente en de kerk in het algemeen toenemende verwijten maakte. Ik kon die verwijten scherp formuleren en publiceerde ze soms op besliste toon. Het was de minst productieve tijd van mijn leven. Voor mij kwam de omslag op 31 oktober 1997, grappig genoeg op Hervormingsdag in een klooster gezeten, toen ik “ontdekte” hoezeer het werk van de Geest in Handelingen vrucht was van gebed. Ik leerde meer op God te vertrouwen en ik leerde ook om, net als de apostel, telkens opnieuw voor mijn gemeente eerst te danken. Het aardige bij de apostel is overigens dat hij die kerken steeds vertelde hoeveel hij God voor hen dankte. Dat heb ik niet letterlijk zo gedaan maar ik ben wel begonnen hen vanuit de dankbaarheid te benaderen. Bij mijn leiding geven aan verschillende gemeenten heb ik die benadering ook altijd bepleit: geen brieven in het kerkblad over wat er allemaal tegenvalt, maar inhaken op het goede dat God onder hen werkt.

Als genade zoek raakt

Terug naar de apostel: algemeen bekend is dat er één uitzondering is op de regel dat hij steeds met dankzegging begint en dat is de brief aan de Galaten. Het aparte is dat juist daar op ethisch vlak zo te zien niet zoveel mis was. Men overtrof elkaar in goede werken – totdat je er gek van werd. Maar de genade was volledig zoek geraakt, volgens het model: genade plus iets > iets plus genade > iets plus niks. Kennelijk is dat het ergste wat er kan gebeuren en waar zelfs de dankzegging door geblokkeerd wordt. Als we van die waarneming weer terug gaan naar Jezus dan valt op, dat hij eigenlijk alleen maar uit zijn slof schiet tegen Farizeeën en schriftgeleerden die net als de Galaten te rechtvaardig voor woorden waren. Dat ontmaskert hij op een wijze waarin ik maar moeilijk positive approach in kan herkennen. Overigens wel vaak tijdens een goede maaltijd, dus na eerst contact gemaakt te hebben.

Jezus’ stijl van coaching

In het kader van coaching, overigens, zou het de moeite waard zijn om eens expliciet studie te maken van Jezus’ stijl van coaching en dan met name hoe hij zijn twaalf apostelen coachte. Dat is een benadering die je vooral in Angelsaksische theologie tegenkomt. Zo herinner ik me ook het boek “Paul’s missionary methods” en ik realiseerde me dat ik, opgevoed in Duitse theologie, zo nog nooit naar het boek Handelingen gekeken had. Er zitten overigens ook risico’s aan: je kunt maar zo een vigerende theorie overwaarderen door die theorie terug te lezen in het optreden van Jezus Christus – en dan loop je gevaar om het te absoluut te gaan nemen. Het omgekeerde is eigenlijk aardiger: als je door vergelijking met Jezus’ benadering die van jezelf leert relativeren. Ik gaf geregeld les aan een Bengaalstalig Seminarie in India en vroeg eens kritisch aan de leidinggevende zendeling hoe hij nu eigenlijk de kwaliteit van zijn leerlingen bewaakte. “Ach Willem”, antwoordde hij, “Jezus had twaalf discipelen en van hoeveel van hen heb jij later nog iets vernomen?”. :-)

Dat gezegd hebbend en met de waarschuwing aan mezelf dat ik niet moet proberen Jezus om te vormen tot de ideale coach voor 2017, toch een paar opmerkingen. Het eerste dat opvalt is dat Jezus niet bepaald selecteert aan de poort. Vooral in het Johannes-evangelie zie je dat Jezus zijn leerlingen “vindt”. Hij vraagt twee leerlingen van Johannes die om hem heen draaien, de een vraagt zijn broer erbij en de ander ontmoet hij onderweg. Hij ervaart het echt als degenen die “de Vader mij gegeven heeft” en tegelijk kan hij dat weergeven als “ik heb u uitgekozen”. Hij besteedt aan deze groep veel tijd, trekt met hen op, veel meer dan ik gewend ben te doen met degenen die ik coach. Hij waardeert nadrukkelijk hun inzet (“u hebt alles prijsgegeven”) en laat hen ervaren dat ze bevoorrecht zijn (“u is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk te kennen maar hun is dat niet gegeven”). Eerst moeten ze ervaren dat het een wonderlijk feest is om bij Jezus te horen (bruiloft te Kana) en pas daarna leert hij hen dat het anderzijds ook alles kost, je hele leven.

Lijden en dienen

Ik kan niet nagaan of Jezus hen leert, zich te concentreren op wat ze goed kunnen. Mij valt in elk geval ook het omgekeerde op: Petrus kan bijna alles, behalve lijden en dienen. Toch zal hij juist dat moeten leren en dat doet pijn – misschien wel het duidelijkst tijdens de voetwassing aan de Avondmaalstafel. Als Jezus een schort om doet om de voeten van de leerlingen te wassen, is het Petrus die zegt: ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’. Jezus doorbreekt dat door hem duidelijk te maken dat deze ervaring nodig is om bij Jezus te horen. Door Gods Geest heeft dit onderwijs evident gewerkt, want als Petrus later zijn eerste brief schrijft, dan gaat die over eigenlijk maar twee thema’s: lijden en dienen. In het bekende 1 Petrus 5: 5 zegt hij “Omgordt u allen jegens elkander met nederigheid” (NBG51) en het mooie daarbij is dat hij een werkwoord gebruikt dat letterlijk betekent “omschort” u met nederigheid, waarin je het schort van de Heer nog herkent.

Deze radicale “ommekeer” bij Petrus betekent overigens niet dat Jezus de bestaande bekwaamheden negeert, maar dat hij ze in dienst neemt en heiligt. Petrus blijft evengoed de leidersfiguur in de kerk, en Levi laat weliswaar “alles achter” maar zijn bekwaamheid om feiten te registreren in het Grieks wordt op een nieuwe wijze ingeschakeld wanneer hij evangelist wordt.

Geneigd tot alle kwaad

Proberen we nu om vanuit deze waarnemingen ons te verstaan met de belijdenis die verwoord is in Zondag 3, dat wij mensen onbekwaam zijn tot enig goeds en geneigd tot alle kwaad – tenzij wij door de Geest Gods wedergeboren worden. Het valt te begrijpen dat deze belijdenis, samengevat tot “Hulpeloos maar schuldig” (Aleid Schilder) voor velen een ergernis is geweest. Ik vind wel dat je er bij moet bedenken, dat deze belijdenis niet bedoeld is als de ultieme antropologie, maar als indringend onderdeel van de soteriologie, de leer van ons behoud. Als het gaat om onze verlossing, dan kunnen wij die inderdaad niet verwachten van Christus’ offer plus onze goede werken – want dat valt steeds weer vies tegen. Maar als het gaat om de humaniteit, dan is daarin wel degelijk Gods voortgaande scheppingswerk te bespeuren, dat door de Geest vernieuwd en geheiligd wordt. Het feit dat Christus en de apostelen aanknopen bij menselijke gaven om die vervolgens te reinigen en te heiligen, komt niet in mindering op hun volkomen afhankelijkheid van genade. Theologisch gezien gaat het hierbij om het onderscheid tussen de christologie en de pneumatologie. In de christologie en dus in de leer van het behoud liggen de dingen zwart-wit zoals in zondag 3 beschreven. In de pneumatologie en dus in de heiliging ligt het echt anders, vgl. mijn bespreking destijds van Van de Beek’s boek “Lichaam en Geest van Christus. De theologie van de kerk en de Heilige Geest”.

Per saldo biedt deze overweging me de ruimte om met een goed geweten te coachen vanuit een positieve insteek. Als we het befaamde ui-model hanteren, dan is mijzelf in elk geval genoegzaam bekend dat bij mij zonde niet slechts in de buitenste schillen van functioneren en bekwaamheden zit, maar tot in het binnenste binnen. Als iemand mij zegt “ik ben overtuigd van je goede bedoelingen”, dan heb ik geleerd te antwoorden “dan weet je meer dan ik…”. Tegelijk geloof ik dat onder dat alles God mij kent als geen ander, zodat ik met Johannes kan zeggen: “zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, hij weet alles.” Van daaruit kan ik, met genoemde voorbeelden van Jezus en Paulus, de ander aanspreken op Gods goede werk in ons dat onder dat alles doorgaat.