Bidden met de Psalmen

hand-op-de-schouder-pastoraatVia een stagiaire verdiepte ik me onlangs in een aantal definities van pastoraat, waarvan de kortste mij enorm aansprak: “pastoraat is God ter sprake brengen bij de mensen en mensen ter sprake brengen bij God” (afkomstig van Nico van der Voet, CHE). Dat is het inderdaad en dat doe je al door het enkele feit dat je als pastor bij iemand komt en naar hem of haar luistert. Dit staat los van de vraag of je ambtsdrager of pastoraal bezoeker bent: het enkele feit dat je komt als geroepen betekent al dat de pastorant zijn verhaal ‘voor Gods aangezicht’ vertelt. Je brengt God dus ter sprake, alleen al door er te zijn. De kunst is om dan zo te luisteren dat je daarna op een manier die aansluit bij de persoon die je bezoekt, hem ter sprake brengt bij God.

Psalmen brengen je op koers

Een bijzonder rijk hulpmiddel daarbij vormen de Psalmen. Ze zijn de liederen waarin Gods volk reageert op de openbaring van God en tegelijk zijn ze een belangrijk deel van die openbaring zelf. Alles wat mensen meemaken, van de hoogste vreugde tot de diepste nood, komt erin voor op een manier dat je jezelf erin kunt invullen. De bekende N.T. Wright schreef er zijn nieuwste boek over: “The Case for the Psalms: Why They Are Essential”. Hij betoogt dat wij, door de Psalmen te bidden en te leven, binnenkomen in een hele wereld waarin je God steeds persoonlijker kunt leren kennen en betrekken in je leven en dat je er op koers komt om richting en leiding in je leven te ontvangen.

Dit artikel Bidden met Psalmen verschijnt vandaag in een special van Opbouw en De Reformatie “Gewond door het leven”

In Apeldoorn bieden we een vorm van gebedspastoraat aan waarin de Psalmen centraal staan (zie www.tabernakelkerk.nl onder Pastoraat). Voor de vorm van gebedspastoraat hebben we veel geleerd van de kerk van Houten die daar ook geregeld waardevolle cursussen voor biedt. Wij hebben daar als eigen kleur het centraal stellen van de Psalmen aan gegeven. Op z’n kortst gezegd komt het hier op neer dat, wanneer we in het pastorale bezoekwerk iemand ontmoeten die met hardnekkige problemen kampt, we hem of haar uitnodigen voor een intensieve vorm van pastoraat, voor een beperkte termijn. We nodigen zo iemand uit om drie keer langs te komen voor een gesprek van een uur, met een tijd later nog een evaluatiegesprek. Als voorbereiding vragen we twee dingen: zoek eerst een gedeelte van een Psalm waarin je jezelf herkent en bedenk vervolgens wat je van God verlangt. Als het zo ver is, ontvangen we hem met twee leden van het gebedsteam, een man en een vrouw of eventueel met twee vrouwen. We maken dan kennis (soms spreek je iemand voor ‘t eerst) en daarna vragen we de bezoeker om het gekozen Psalmgedeelte voor te lezen. Daar spreken we over door, vervolgens vertelt de pastorant wat hij van God verlangt en daarna bidden we er om, doorgaans volgens het model ‘ministry’ waarbij twee bidders naast je staan. We zien uit naar de verhoring van het gebed en dat is het eerste waar we de volgende bijeenkomst over spreken.

Mozes met Aäron en HurIk gebruik als toelichting bij het ministry gebed het beeld van de biddende Mozes uit Exodus 17, met Aäron en Hur naast zich. Bidden doe je normaal gesproken natuurlijk zelf, maar soms heb je mensen naast je nodig die je helpen om je op God te richten. Wel te verstaan: voor God maakt het niet uit in welke vorm, houding of bewoording je bidt. Maar voor ons mensen maakt het wel degelijk verschil voor de mate waarin je kunt ontvangen. Ik raad daarvoor de Houtense cursus gebedspastoraat van harte aan; en neem er de Psalmen in mee!

Over de valkuil van pastoraat

Dit is wel een heel droge opsomming en ik werk het graag wat uit, te beginnen met iets wat ik leerde van Mary Pytches, de ‘moeder van New Wine’ zullen we maar zeggen. Het ging over het moment waarop je iemands trauma uit het verre verleden bespreekt, waarbij de pastorant als het ware aan zichzelf als kind denkt. Pytches zei daarover: “als je een geliefde pastor wilt worden, dan moet je op dat moment het kleine kind van vroeger gaan troosten: dat voelt geweldig en het helpt niks, zodat ze altijd terug blijven komen”. Zij bedoelde dat natuurlijk als waarschuwing: trap niet in die valkuil! In plaats daarvan zul je de pastorant moeten helpen om op een volwassen manier met dat ‘kleintje’ om te gaan. Misschien vraag je eerst eens: “wat vind je van dat kleine kind?” – dan zul je nog voor verrassingen komen te staan. Misschien kun je dan helpen om met de liefdevolle ogen van Christus naar het verleden te kijken. Uitwerking daarvan voert nu te ver, maar ik heb er van geleerd om kritisch naar mijn eigen en andermans pastoraat te kijken: hoe vaak bevestigen en troosten we iemand niet in z’n kleinheid en verdriet. Inderdaad: daar kun je je geliefd mee maken maar het helpt niet. Een christen mag leren om als Gods geliefde zoon of dochter te leven, in wie God vreugde vindt. Zo immers heeft God ons in Christus als zijn kinderen en erfgenamen aangenomen.

Hoge drempel

Het gebedspastoraat dat ik nu beschrijf, heeft in zekere zin wel een hoge drempel: je moet hulp vragen, van mensen en van God en daar moet je voor in beweging komen. Wij merken dat ook: mensen vinden het aanvankelijk lastig om de stap te zetten. Het kan dan ook het traditionele pastoraat waarin je bij de mensen langs gaat niet vervangen, maar als je iemand zover kunt krijgen om met z’n zonden en wonden zelf hulp te zoeken op de weg naar God toe, dan is er veel gewonnen. Het maakt echt verschil of iemand afwacht of ze hem komen troosten, dan wel de stap neemt om concreet te vragen om gebed. En het maakt verschil of jij iemand een tekst aanreikt, dan wel dat de ander zelf een Bijbelgedeelte vindt en toepast. Ik leg altijd uit: Psalmen mag je uit hun verband rukken en toepassen in je eigen leven. Terwijl ze aan de ene kant de problemen helder benoemen, wordt die ziekte of nood nooit zo precies beschreven dat jouw probleem er niet in zou passen. En gaat het over de vijanden, dan mag je ook denken aan vijanden die in je eigen hoofd zitten. En enorme vreugde of diep verdriet kun je ook in ‘t klein herkennen.

Zodra iemand nu z’n eigen Psalmgedeelte voorleest en uitlegt, gebeurt er iets moois: aan de ene kant legt zijn ervaring de Psalm uit, aan de andere kant gaat die Psalm zijn ervaring duiden, invoegen in de omgang met God. In Psalmen gaat het om precies dezelfde vreugde en verdriet, uitdagingen en teleurstellingen als die wij vandaag kennen, maar dan voortdurend in verband gebracht met God de Schepper en zijn verbond met ons. Psalmen helpen om je te brengen van een gerichtheid op jezelf alleen, naar een gerichtheid op God in zijn verbond met ons.

Gods leiding gezocht

Hoe gaat dat in de praktijk? Hanna heeft een zeurend gevoel van ontevredenheid. Er zijn problemen op het werk, maar ze vraagt zich ook af of ze daar zelf misschien de schuld van is. Ze zou willen dat God haar de weg wees. Ze legt Psalm 25 op tafel, vanwege de berijmde zin “Here, maak mij uwe wegen door uw woord en Geest bekend”. Eerst vertelt ze waarom ze Gods leiding zoekt: ze voelt zich onzeker over het doel van haar leven. Eigenlijk wil ze gewoon dat God zegt hoe ’t moet. Ze heeft die wens herkend in de genoemde Psalm en daarmee in de Bijbel. En tegelijk, als we daarover samen lezen dan gaat ze het zelf al met de Psalm mee verbreden. Ze vertelt hoe zij Gods redding wel eens ervaren heeft, ze ziet het perspectief van Gods trouw door de eeuwen heen, ze gaat net als de psalmist terugkijken naar haar eigen jeugd, het komt tot een persoonlijk gebed om vergeving van bepaalde zonden, en dat baant de weg waardoor ze zich kan uitstrekken naar leven in vrijheid. En zowaar, als we in dat verband nog eens bidden om Gods leiding, dan ziet Hanna de contouren daarvan voor zich.

Wat gebeurt hier nu precies? Laten we eerst vaststellen: pastoraat is geen therapie, ook al spelen er vergelijkbare mechanismen. Het eerste doel van pastoraat is niet om jeugdtrauma, bindingsangst en relatieproblemen op te lossen, ook al heeft het er vaak invloed op. Nee, pastoraat gaat om onderhoud of herstel van de relatie met God. Of anders gezegd, het is God ter sprake brengen bij de mensen en de mensen ter sprake brengen bij God. Welnu, dat is wat heel intensief gebeurt in dit pastoraat met de Psalmen, omdat levenservaringen herkend en erkend worden binnen de setting van Gods omgang met mensen. Zo bezien is het ‘succes’ vrijwel 100%: als iemand zijn zonden en wonden bij het licht van een Psalm bij God brengt, dan moet je het al echt verknoeien om het doel van pastoraat te missen.

Bidden om meer kracht…

Net als in alle pastoraat is het soms nodig om door te vragen. Mensen vragen bijna altijd om te bidden om “kracht”, maar daar ben ik heel voorzichtig mee. Is iemand ernstig ziek, dan is het natuurlijk wat anders. Maar vaak bidden mensen om kracht om hun huidige leven vol te houden. Als er iets verkeerds zit in je leven, dan is het niet aan te bevelen om meer kracht te oefenen, net zo min als je een kar harder moet duwen wanneer er iets wringt. Wanneer je hierover doorvraagt, kom je als vanzelf op het moeilijke vlak van onbeleden zonden en wonden. Een pastor die het vingertje heft, dat gaat niet werken. Maar het is heel wat anders als je samen kunt bidden “toets mij of niet een weg in mij, mij schaadt en leidt aan U voorbij” (met de berijming van Psalm 139).

Je kunt niet alle wonden helen, maar ze wel verbinden. Henry is zwaar depressief en wordt daar ook voor behandeld. Bij die behandeling komen naar zijn idee alleen slimme gedragstherapeutische foefjes aan bod, maar daarin voelt hij zich niet gekend. Op aanraden van de pastoraal bezoeker komt hij voor gebedspastoraat. De Psalm die hij uitgekozen heeft om voor te lezen, is Psalm 88. Wie een beetje thuis is in de Psalmen weet dat je niet veel dieper kunt gaan dan die Psalm – vol van doffe ellende en duisternis. Hier is duidelijk een gewond schaap van de goede herder aan het woord. Twee waarschuwingen zijn dan op z’n plaats: meegaan in kritiek op andere hulpverleners of pastors heeft geen nut, en als iemand ver heen is kan het schade aanrichten om al te diep te roeren in de problemen. Toch biedt juist deze donkere Psalm ook dan ruimte voor echt pastoraat. Het enkele feit dat je narigheid voorkomt in de Bijbel, in het middelste midden ervan, is al een stuk erkenning. En tegelijk doet die Psalm ook iets terug: het feit bijvoorbeeld dat hij begint met het enige licht in deze donkere kuil: “Heer, God, mijn redder”, dat is een uitnodiging om aan deze belijdenis vast te houden hoe donker het ook is. Henry was na drie gesprekken echt niet van z’n depressie af, maar het is een werkelijk houvast voor hem dat hij het perspectief van de Korachieten die Psalm 88 schreven er bij heeft geleerd. En bovenal: nog meer waard dan alle bemoedigende woorden is de achterliggende werkelijkheid dat de Heer God je redder is, ook als het niet zo voelt.

Psalmen zijn zo echt als het leven zelf. Ik heb ze leren kennen als een gezegende hulp in het pastoraat. Het vergt een stap om ze biddend te gaan gebruiken. Maar waar het lukte om mensen over de streep te krijgen, heb ik er altijd zegen op gezien.