De geloofwaardigheid van de Bijbel

In: Opbouw, nav Bert Loonstra, De geloofwaardigheid van de Bijbel, Zoetermeer 1994, isbn 9023909585

In het boek “De geloofwaardigheid van de bijbel” snijdt dr. B. Loonstra op een open manier aan wat voor problemen we tegenkomen bij het lezen van de bijbel. De manier waarop deze Chr. Geref. predikant van Hoogeveen dit aanpakt heeft heftige reacties opgeroepen. In dit en de komende twee nummers willen we dit boek aandacht geven.

Heel lang geleden werd aan dr. Willem Ouweneel ee ns gevraagd hoe het kan, dat God op de eerste dag het licht schiep en pas drie dagen later de zon. Hij wist toen te melden, dat er in de natuurwetenschap méér vormen van licht bekend zijn, zoals het fluorescerend licht en het noorderlicht, “en bovendien staat er in 1 Johannes dat God licht is”. Toen ik dat hoorde, stokte er bij mij iets. Ik begreep in een flits, wat een diep onrecht je de Here God (en zijn dienstknecht Johannes!) aandoet, door dat woord uit 1 Johannes op te vatten alsof “God is licht” gewoon één van de opties voor een donkere ruimte is, naast fluorescerend licht en natrium. Waar je aan kunt zien, dat “alles gewoon letterlijk lezen” ook niet het eind van alle tegenspraak is. Later heb ik dit trouwens van dezelfde dr. Ouweneel veel beter geleerd, toen hij vertelde: “ik heb leren zien, dat de uitspraak dat heel de bijbel `historisch betrouwbaar’ is, eigenlijk van een enorme hoogmoed getuigt. Dan hebben wij een zelf gemaakte maatlat, en we leggen die langs Gods eigen woord!”.

Bepaald meer ophef

Dat zijn een paar van de herinneringen, waarmee ik begon aan de lezing van “De geloofwaardigheid van de bijbel”, van de hand van dr. B. Loonstra. De auteur is christelijk gereformeerd predikant te Hoog­eveen. Vijf jaar geleden promoveerde hij op een studie over de Raad des Vredes, maar zijn jongste boek heeft bepaald meer ophef gemaakt. Sommigen spreken al van de chr. geref. Kuitert, want het gaat er in het boek heftiger aan toe dan de degelijke titel en kaft doen vermoeden. Wat daarvan te denken?

In zijn boek noemt Loonstra allerlei problemen die er zijn met de geloofwaardigheid van de bijbel en hij bespreekt dan hoe we daar tegen aan moeten kijken. Dat doet hij overigens niet op een manier van allerlei problemen zoeken om daar de bijbel dubieus mee te maken. Nee, hij zet juist in met een hoofdstuk over “Geloofwaardigheid als gegeven”, waarin hij duidelijk maakt dat de bijbel niet pas geloofwaar­dig wordt wanneer allerlei studies er de juistheid van hebben aangege­ven. Loonstra wil niet proberen om zijn geloof buiten haakjes te zetten. Wel vraagt die geloofwaardigheid steeds ook om bevestiging, onder meer in confrontatie met ongelovigen en met historisch onderzoek.

Daarna volgt een hoofdstuk, waarin de problemen met de praktische geloofwaardigheid van de bijbel behandeld worden. Trouwe lezers van Opbouw zullen hierin veel bekend materiaal tegenkomen, waaronder de vraag door wie Goliat gedood werd en de verschillende geslachtslij­sten van Jezus. Ook de aardlagen en fossielen passeren de revue, alsmede de bedenkingen die wij voelen tegenover het geweld in het Oude Testament en dat wij anders denken over de plaats van de vrouw. Deze onderwerpen zijn keurig beschreven, maar ik kwam er niet van op het puntje van m’n stoel te zitten.

Dat gebeurde wel bij de twee volgende hoofdstukken, over de manier waarop men door de eeuwen heen gedacht heeft over de aard van het gezag dat de bijbel heeft. Origenes, Calvijn, Voetius, Bavinck, Barth en anderen komen aan het woord en als je even door het taalgebruik heenkijkt, dan vormen deze hoofdstukken een indringende beschrijving van hoe christenen zich met (veel!) vallen en opstaan verantwoord hebben over de manier waarop dat boek van 2 à 3 duizend jaar geleden voor ons nog herkenbaar kan zijn.

Drie leesregels

Twee bezinnende hoofdstukken volgen en als klap op de vuurpijl lezen we drie “leesregels”, waarin dr. Loonstra het praktisch resultaat van zijn studie samenvat. De eerste twee geef ik in eigen woorden weer. Je moet bijbelse denkbeelden die bij ons niet meer overkomen niet schrappen, maar zoveel mogelijk vertalen naar onze denk-wereld toe. Ze kunnen zelfs een goede aanvulling zijn op ons beperkte blikveld. Aldus de eerste twee leesregels.

En dan luidt de derde leesregel: “Voorstellingen die niet vervangen kunnen worden zonder dat aan de betuigde heilswerkelijkheid afbreuk wordt gedaan, mogen niet vervangen worden”. Dat betekent concreet, dat je volgens Loonstra de lichamelijke opstanding van Christus niet kunt schrappen, terwijl je bij hemelvaart en Pinksteren in het midden kunt laten of het letterlijk-historisch beschreven is.

De stormbal hijsen

Tot zover een wel heel korte weergave van Loonstra’s boek, waar we nu verder op in willen gaan. Om te beginnen: is hij weer een nieuwe Kuitert? Ik zou zeggen: totaal niet. Loonstra spreekt en denkt echt vanuit de overtuiging dat ons in de bijbel een woord van Boven tegemoet komt, en dat is een beslissend verschil met de leer van Kuitert. Wel legt Loonstra er veel nadruk op, dat het woord van de oneindige God heel diep is ingegaan in de taal, cultuur en beleving van mensen uit een voorbije tijd. En dat je dus niet ieder detail van de bijbel meteen als goddelijke openbaring moet beschouwen. Hij spreekt in dit verband dan van de kern die onopgeefbaar is en van de aanwas daaromheen, waar je niet te moeilijk over moet doen.

Kijk, en dan wordt het natuurlijk lastig. Want wie bepaalt er wat kern is en wat aanwas? Inderdaad, dat is lastig en ook gevaarlijk want als je eenmaal gaat knippen in de marge, dan gaat het al gauw richting kern. Begrijpelijk dat verschillende recensenten vinden dat Loonstra te ver gaat, en dat sommigen zelfs de stormbal hijsen.

Enfin, u merkt dat ik een beetje om de hete brij heendraai, dus nu maar naar wat ik zelf van het boek vind: ik vind het een dappere poging om het geloof van het hart te combineren met de kritiek van het hoofd, maar ik word koud van het resultaat. Ik wil die twee kanten allebei vasthouden. Eerst van die dappere poging: het is eenvoudig een feit dat we in onze tijd de bijbel kritisch lezen. Dat betekent dat we ons afvragen hoe dat allemaal kan en hoe je dingen moet rijmen die je echt niet vatten kunt. Je kunt die vragen wel onderdrukken, maar dan komen ze er op den duur twee keer zo hard uit. Daarom vind ik het goed en dapper als iemand dat zwijgen doorbreekt en de problemen eerlijk opsomt.

Dat ik koud word van het resultaat, dat vergt meer toelichting. Want ik bedoel er niet mee dat ik omval van de ernst van de problemen die hij opsomt. Mijn probleem is met de manier waarop hij die problemen behandelt. Daarover nu nader.

Verschil in soortelijk gewicht

In feite beseft iedereen, dat er binnen de bijbel verschil is in soortelijk gewicht. Het is minder simpel om er de juiste termen voor te vinden: de kern en de aanwas; het centrum en de rand; de inhoud en de vorm of hoe dan ook. Dat verschil ìs er gewoon. Maar de vraag is: wat dóe je daarmee? Loonstra, die zich keurig houdt aan de regels van de westerse, analytische wetenschap, zet zijn bespreking in bij de rand en gaat dan stapje voor stapje verder totdat je in het laatste hoofdstuk hoort waar de grenzen liggen. Of om in zijn beeld van een kern met aanwas te blijven: hij krabt veel aanwas weg om de kern over te houden. Of zonder beeldspraak gezegd: hij bespreekt allerlei kritiek die er op de bijbel is, op ondergeschikte punten en gaandeweg op steeds belangrij­ker punten.

En dan probeert hij om de dingen die in onze ogen ongerijmd of onmogelijk of onaanvaardbaar zijn, niet glad te strijken maar ze in zó’n perspectief te zetten, dat je ze als een deel van de aanwas gaat beschouwen. Noem eens iets: Kaïn was bang voor `de mensen’ toen er nog nauwelijks andere mensen waren. Dat lijkt een fout maar (zo betoogt Loonstra) als de bijbelschrijver nu eens iets ànders bedoelde dan historie beschrijven? Dan kan de kern overeind blijven en betrouwbaar zijn, ook als je het verhaal niet letterlijk neemt.

Onbetrouwbaar?

Nog zo’n voorbeeld: Genesis 1 heeft wel wat weg van de mythen van andere volkeren. Onbetrouwbaar, zouden wij zeggen. Maar als de mensen van toen geen probleem met mythische taal hadden, zou het dan niet kunnen zijn dat de bijbel de mythische beelden ontleent aan de omgeving, maar er inhoudelijk een andere kant mee opgaat? En zo verder, tot we aan de onopgeefbare kern gekomen zijn, uitgedrukt in de derde leesregel van Loonstra: “Voorstellingen die niet vervangen kunnen worden zonder dat aan de betuigde heilswerkelijkheid afbreuk wordt gedaan, mogen niet vervangen worden”.

Dat is mooi natuurlijk, en ik waardeer het ook echt. Maar waar halen we die grens nou ineens vandaan? Loonstra houdt een gloedvol betoog om aan te tonen dat bijvoorbeeld de lichamelijke opstanding niet valt te schrappen en de lichamelijke hemelvaart eventueel wel. Waar dat echt lichamelijk opgestane lichaam van de Heer in dat geval gebleven is, is me trouwens een raadsel.

Maar mijn punt is dit: als je hele betoog één veldslag geweest is van de rand naar het centrum toe, waarbij heel wat heilige huisjes gesneuveld zijn, waarom zou het leger dan ineens halt houden bij het bordje ‘Centrum’? Het mag genoegzaam bekend verondersteld worden, dat de meeste auteurs de veldslag net iets langer voortzetten en, ongehinderd door De Derde Leesregel van Loonstra, ook de opstanding zien als een deel van het cultureel bepaalde gewaad waarin de bijbelse boodschap tot ons komt. En dat je dat dus gerust kunt schrappen zonder de boodschap te verliezen. Waarmee je uiteraard terecht komt in een lege kerk waarin nog éven gepreekt wordt: “het verhaal blijft toch belangrijk, want de opstanding maakt ons opstandig en de opwekking maakt ons opgewekt”, totdat de laatste zo wijs is om het licht uit te doen.

Begrijp me goed: Loonstra wil dit helemaal niet en hij gaat ook zover niet, maar het ontgaat me hoe hij eraan wil ontkomen.

n.a.v. dr. B. Loonstra, De geloofwaardigheid van de bijbel”, Boekencen­trum Zoetermeer, 1994. 228 pag., ¦ 35,-.

De geloofwaardigheid van de bijbel (2)

Dr. Loonstra schreef een boek over de geloofwaardigheid van de bijbel. Hij maakt zoveel mogelijk ruimte voor serieuze kritiek op onderdelen, maar trekt een grens bij bijbelse voorstellingen die onvervangbaar zijn als je geen afbreuk wilt doen aan de heilsfeiten. Dat leek moeilijk hard te maken.

Maar wat dan? Moeten we dan als christenen de rijen sluiten en pal staan voor de absolute historische betrouwbaarheid van elk detail uit de bijbel? Moeten we naast de onfeilbaarheid van de bijbel ook de foutloosheid ervan gaan leren? Ik vind dat een heilloze weg. Letterlijk heilloos, want het heil van God zit juist in de kern van de bijbel en als we gaan pal-staan aan de rand, dan zijn we veroordeeld om steeds over marginale dingen te strijden.

Het klinkt misschien raar, maar ik ben er diep van overtuigd dat zowel Loonstra als de orthodoxen die hij bestrijdt, bezig zijn met de verkeerde veldslag. Namelijk met de veldslag die van de rand van de bijbel naar het centrum leidt. Die veldslag is begonnen door critici van het geloof en van de bijbel. Gereformeerde verdedigers hebben tijdenlang strijd gevoerd in de buitenwijken. Velen hebben die strijd opgegeven en zijn vrijwel alles kwijt geraakt. Dr. Loonstra nu wil geen partij kiezen, maar wel een safe area inrichten, een veilig gebied waar gezien het belang van de zaak geen strijd gevoerd mag worden. Dat is net zo sympathiek en net zo kansloos als de politiek van de VN in Bosnië.

Vanuit het centrum naar de rand

Maar ìs er dan een andere strijd? Jazeker, dat is de geestelijke strijd die God zelf voert. Die juist vanuit het centrum begint en naar de buiten­wijken gericht is. In die strijd wil ik graag meegenomen worden. Concreet: als je over de geloofwaardigheid van de bijbel wilt schrijven, dan moet je niet inzetten bij de vraag wie Goliat gedood heeft, maar bij de boodschap over het offer van Jezus Christus, dat voldoende is voor al onze zonden. En dus bij de opstanding van diezelfde Jezus uit de doden. Van daar vandaan kun je dan ook wel gaan nadenken over teksten die meer naar de rand liggen, maar dat doe je dan veel meer ontspannen. Ik wil bijvoorbeeld best op zakelijke gronden praten over de vraag of Jezus letterlijk over het water heeft gelopen. Maar niet onder de klem dat daarvan afhangt of ik er rationeel uit kom. Als Jezus werkelijk is opgestaan uit de dood, dan was het toch peanuts om over het water te lopen?

Ik realiseer me heel goed, dat het probleem daarmee niet opgelost is. Want dan wordt het des te klemmender om de vraag te beantwoorden waarom ik dan wel geloof wat de bijbel me leert over de betekenis van Jezus’ dood en opstanding. Dat is niet zo eenvoudig, maar het voordeel is dat we het dan wel hebben over de goede vraag!

Fundamentele keuze

Mijn punt is dus: als je over de geloofwaardigheid van de bijbel praat, dan moet je dat doen vanuit het centrum van die bijbel, vanuit Gods openbaring in Christus. Doe je dat niet, dan voer je een verkeerde strijd, die gedoemd is te mislukken. Het opvallende is nu, dat dr. Loonstra in zijn inleiding deze fundamentele keuze al onder ogen ziet. Hij schrijft, in te willen gaan “op rationele bezwaren tegen de geloofwaardigheid van de bijbel”. En dat brengt (zoals hij zelf zegt) voor zijn boek twee kenmerken mee: dat het zich ophoudt aan de grenzen van het schriftge­zag en dat het een rationeel karakter draagt. “Dat houdt in dat het niet primair gaat over het hart van de bijbelse boodschap, het evangelie van Gods liefde in Jezus Christus”.

Niet dat voor de schrijver deze centrale inhoud van minder belang is, maar hij kiest er zijn methodisch startpunt niet in. Want als je dat wèl doet, dan worden “onze vragen wel gerelativeerd, maar niet beant­woord”. Aldus de schrijver.

Met als gevolg, dat zijn boek inderdaad die beide kenmerken heeft: het gaat over zaken aan de rand en het gaat daar op een rationele manier over. Of met andere woorden gezegd: het lijkt erg op praten over het brood, zonder het brood aan te snijden. Je hebt maar zelden het gevoel dat de Schriften erdoor opengaan en er worden wèl een heleboel dingen aan de rand problematisch gemaakt. Over mythen en sagen die je in de bijbel zou vinden, over normen die wij niet meer kunnen aanvaarden en zo meer. Meerdere recensenten hebben daar al de staf over gebroken en gesteld dat Loonstra daar (veel) te ver in gaat.

Ik voelde af en toe ook wel de neiging om wat terug te zeggen, maar ik begin daar niet aan omdat ik denk dat ik dan mèt Loonstra aan die verkeerde strijd deelneem. Voorbeeld: ik geloof er niks van dat de berichten over de dag van Jezus’ opstanding zo tegenstrijdig zijn als dr. Loonstra wil doen geloven. Maar als we daarover gaan strijden, dan kan ik hoogstens bereiken dat de slag net iets eerder dan het Centrum zou eindigen.

In het echt gaat het anders

Je verliest nogal wat, door over de geloofwaardigheid van de bijbel niet vanuit Christus maar vanuit de rand te spreken, schreef ik eerder. Nu wil ik daaraan toevoegen: door het startpunt niet te nemen in de centrale inhoud van het evangelie maar in een rationele bespreking, stap je weg uit de echte werkelijkheid naar een wetenschappelijke abstractie. Want in het echt werkt het niet zo, dat iemand de bijbel als geloofwaar­dig aanvaardt vanwege een rationele redenering. In het echt wordt een mens alleen overtuigd wanneer hij gegrepen is door de inhoud van het evangelie. Is hij erdoor gegrepen, dan neemt hij veel problemen op de koop toe; raakt de inhoud hem niet, dan zal hij op elke slak zout leggen. Zo gaat het, denk ik, in het echt. “Vóór-wetenschappelijk” noemt men dat soms, maar dat vind ik ongeveer klinken als “pre-historisch” en vandaar dat ik zeg: in het echt draait het bij de geloof­waardigheid van de bijbel om de inhoud, de centrale inhoud.

Rationele benadering

Maar heeft de schrijver dan geen gelijk, dat je de kritische vragen van vandaag niet anders dan op rationele, wetenschappelijke, wijze kunt beantwoorden? Wat ik voorstel, namelijk inzetten bij Christus en zijn volbrachte werk, dat is toch niet wetenschappelijk en kan toch onze vragen wel relativeren, maar niet beantwoorden? Dat laatste is voor Loonstra de reden om voor een wetenschappelijke, rationele benadering te kiezen. Daar zit dus de pretentie (of de hoop) achter, dat je met zo’n wetenschappelijke benadering de vragen wèl kunt beantwoorden. Het is juist op dit punt, dat ik mijn voornaamste kritiek heb. Op de pretentie, dat een wetenschappelijke benadering de antwoorden kan bieden waar een gewone bijbellezer maar mee blijft zitten. Deze pretentie vind ik gevaarlijk èn onjuist.

Deze twee typeringen hoop ik uiteraard toe te lichten, maar ik moet mezelf even onderbreken om duidelijk te maken dat ik nu niet zozeer meer tegen Loonstra schrijf, maar tegen een veel breder geloof in wetenschap. Dr. A. van den Beukel schrijft daarover meesterlijk op het terrein van de natuurwetenschappen. Maar van theologie geldt dat net zo duidelijk, dat je uit moet kijken voor de pretenties ervan. Ik heb eerder gezegd dat ik Loonstra niet over één kam wil scheren met Kuitert. Maar in de structuur van schrijven is er veel overeenstemming tussen het boek dat we nu bespreken en “Zeker weten” van Kuitert. In beiden wordt al redenerend veel uit de bijbel, respectievelijk het geloof problematisch gemaakt en telkens als de lezer de grond onder z’n voeten voelt wegzakken, dan vind je verwijzingen naar het slothoofd­stuk, waarin de schrijver belooft te openbaren wat er nog aan houvast overblijft. Met de pretentie dat dat dan de door de wetenschap opgeschoonde zekerheid is.

Bovendien onjuist

Gevaarlijk en onjuist noemde ik dat. Gevaarlijk omdat het bij mensen in de kerk de indruk wekt dat je een wetenschappelijk denkraam en taaie taal nodig hebt om tot de geloofwaardigheid van de bijbel te concluderen. Met veel nadruk zeg ik erbij, dat Loonstra tegen dit gevaar juist waarschuwt. Meermalen zegt hij, dat de geloofwaardigheid van de bijbel tevoren gegeven is en niet pas als resultaat van het denkproces ontstaat. Dat is voor mij het sympathieke aan zijn boek. Alleen strijdt het met de hele aanpak die hij volgt, die immers niet vanuit het geloof in het centrum is, maar vanuit de twijfel aan de rand.

Maar de pretentie dat deze rationele aanpak wèl de antwoorden biedt is (ook niet onbelangrijk!) bovendien onjuist. Dat blijkt alleen al uit het slot, waarin al het gezegde uitmondt in de Derde Leesregel van Loonstra: “Voorstellingen die niet vervangen kunnen worden zonder dat aan de betuigde heilswerkelijkheid afbreuk wordt gedaan, mogen niet vervangen worden”. Daarvan kunnen we in alle nuchterheid zeggen dat het niks oplost, omdat de meeste andere auteurs gewoon nog wat verder gaan. Neem Kuitert, die als zekerheid voor wie geen grond meer onder de voeten voelt komt tot “mystieke ervaringen met iets van een persoon-achtige transcendentie”. Ook bij hem een rationeel betoog, gevolgd door een op het oog vrij willekeurige slotsom, die echter vanwege het hele boek de geur van wetenschappelijke zekerheid draagt.

Het Griekse denken

Ik vind overigens, dat de gevolgde rationele aanpak niet alleen in het slothoofdstuk faalt, maar ook in de redenering die daar naar toe leidt. Laat me twee belangrijke momenten daaruit noemen. Eerst de studie uit hoofdstuk 5, over het waarheidsbegrip. Dat hoofdstuk betoogt (grof weergegeven), dat wij met ons Griekse denken met het woord `waar­heid’ bedoelen dat de feiten precies weergegeven zijn, terwijl in het Hebreeuwse denken met `waarheid’ vaak niet de objectieve waarheid van een stand van zaken wordt bedoeld, maar de subjectieve oprecht­heid van de spreker (pag. 152). Daarom kunnen wij soms vinden dat iets niet waar is wat de bijbel vertelt, terwijl dat in het Hebreeuwse denken heel anders ligt. Wat het Hebreeuwse denken is, wordt dan afgeleid uit de structuur van de Hebreeuwse taal en zo meer. Dat zijn argumenten als: het Hebreeuwse woord dabar betekent woord en daad tegelijk, dus ze dachten heel praktisch, die joodse mensen!

Het is een heel verhaal en het maakt ook indruk — als je niet toevallig weet dat heel deze redenering wetenschappelijk zeer omstreden is. Want je kunt niet uitmaken wat “het Hebreeuwse denken” is, als we het over een periode van vele eeuwen hebben en over een wereld met vele milieus. Stelt u zich voor dat iemand over twintig eeuwen “het Nederlandse denken” analyseert. Bedoelt hij dan Vondel of Lubbers? Denkt hij aan Staphorst of aan de Jordaan? En wat zal hij ervan denken dat wij zoveel zwakke werkwoorden hebben, vergeleken met de Engelsen? Kortom: de geboden duidelijkheid op dit punt is schijn. Dus wat voor basis legt dat nou onder je vertrouwen in de geloofwaardig­heid van de bijbel?

Metaforen

En het andere belangrijke moment in het betoog is wat Loonstra schrijft over het gebruik van metaforen. Dit betekent dat we vaak iets zeggen in een soort beeldspraak zonder dat apart zo te noemen. Als ik een van m’n vrienden een kei noem, zal niemand daarbij denken aan een steen die niet te verslepen valt. Ons spreken over God is vaak ook een metafoor: God is mijn herder of mijn vader. Maar het zou een stuk schelen wanneer we bepaalde teksten waarmee we niet uit de voeten kunnen, wat vaker als een metafoor beschouwen. Als een beeldspraak dus. Daar kan best iets in zitten, maar ik vind dat de schrijver met dat begrip zo geweldig aan de haal gaat, dat àlles wat we zeggen en denken metafoor is. En wat heb ik er dan nog aan? Wanneer ik bovendien uit andere boeken weet, dat het spreken over `metaforen’ momenteel zo ongeveer dè term is waarmee de bijbelse leer krachteloos wordt gemaakt, dan zie ik niet veel in dit soort behulpsels om de geloofwaardigheid van de bijbel te versterken.

De geloofwaardigheid van de bijbel (3 en slot)

We bespreken het boek van de chr. geref. dr. B. Loonstra over de geloofwaardigheid van de bijbel. Na een aantal kritische noten is het hoog tijd voor een positieve opmerking. En dat valt me niet moeilijk, want ik heb met plezier en interesse de beide hoofdstukken gelezen die de geschiedenis van het verstaan van de bijbel beschrijven.

Ik vond het eigenlijk wel apart om te lezen, dat veel van de problemen die wij nu kennen met oneffenheden in de bijbel, pas gekomen zijn door het werk van Calvijn. In de middeleeuwen was het verstaan van de bijbel zo ingekapseld in de traditie, dat problemen in de bijbeltekst geeneens de kans hadden om boven te komen drijven. Maar de reformatoren “bepaalden zich tot de ene, originele betekenis van de tekst zoals die bij het schrijven was bedoeld” (pag. 55). Met andere woorden: Calvijn en de zijnen hebben eigenlijk maar één ding willen tonen, en dat is de letterlijke betekenis van een tekst. Niet teveel allegorie of mystiek, maar gewoon wat er staat. Logisch, dat dán pas de problemen boven tafel komen met oneffenheden in wat er `gewoon’ staat. En, niet te vergeten, dan stuit je er ook op dat de schrijvers van het Nieuwe Testament lang zo letterlijk niet met het Oude Testament omgaan als Calvijn wel zou willen. Paulus vertelt dat Israël dronk uit de rots en dat die rots Christus was. En in Galaten 4:22v knoopt hij van alles vast aan het feit dat Abraham een zoon had bij Hagar de slavin èn een zoon bij Sara de vrije. Van alles, dat in de natuurlijke en eenvoudi­ge zin van Genesis heus niet gegeven was. Paulus en z’n collega’s waren dus niet bepaald gereformeerd in hun exegese en toepassing!

Prachtig, toch?

Een prachtige situatie is dat, toch? De vraag is alleen wat je daar nu uit leert. Voor Loonstra (in paragraaf 2.3c) is dit een van de “problemen met de praktische geloofwaardigheid” van de bijbel: “Deze nieuwtestamenti­sche manier van bijbeluitleg ontbeert voor ons overtuigingskracht en stelt ons voor de vraag of hiermee geen afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van de bijbel” (pag. 52). Voor mij werkt het andersom. Ik leer ervan om een beetje minder fanatiek te doen over die letterlijke uitleg van ons. Pas heb ik drie dagen studie nodig gehad voor de exegese van één woordje. Ik heb het graag gedaan en morgen zou ik het weer doen als dat nodig is. Maar of ik de gemeente Gods ermee gediend heb, dat hangt toch niet alleen van mijn grammaticale succes af, maar meer nog van de vraag of ik in de lijn van Gods openbaring gebleven ben. Ik bedoel: het gebeurt onder ons dat mensen met bijbelstudies waar je geen speld tussen kunt krijgen, worden afgeleid naar vreemde speculaties over de eindtijd; aan de andere kant zijn er leraars die ons opnieuw leren drinken uit de bronnen van het heil, ook al is hun bijbel-uitleg niet helemaal heils-historisch. Dan vind ik het prachtig om te zien dat de bijbelschrijvers zo onbevangen de Schrift gebruiken om het Evangelie te brengen. Meer gedacht vanuit het centrum dan vanuit de bedenkingen aan de rand.

Problemen toedekken?

Maar hoe ga je dan om met oneffenheden in de tekst van de bijbel wanneer je, zoals ik bepleit, uitgaat van het centrum en niet vanuit de marge? Wordt dat dan zó eerbiedig dat je alle problemen gaat toedek­ken en dat ze er op een dag uit barsten? Ik snap best dat dat gevaar bestaat, maar ik geloof niet dat het onvermijdelijk is. Als ik hier even persoonlijk over spreek, dan moet ik zeggen dat ik inderdaad vanuit mijn diep respect voor Christus en zijn werk geneigd ben om extra eerbiedig te staan tegenover Gods woord. Dat Jezus over het water kon lopen zou ik niet eens aanvaarden als ik Hem niet als mijn verlosser kende. En vanuit datzelfde geloof benader ik ook andere hobbels in de bijbel met een vanzelfsprekende schroom.

Maar aan de andere kant maakt het me toch ook laconieker. Ik leef niet van de rand, maar van Hem die het centrum is. Ik bouw mijn geloof niet op de muren van Jericho, en dat betekent dat ik het wel jammer vind dat ze niet gevonden zijn, maar m’n geloof hangt er niet aan.

Wie zich met een intellectueel fanatisme stort op de bewijzen dat “de bijbel toch gelijk heeft”, die zou in existentiële problemen moeten komen als hij op een gegeven moment klem gepraat wordt. Soms gebeurt dat ook, maar het aardige is: vaak gebeurt dat juist niet. Loonstra’s boek biedt frappante voorbeelden van hoe gereformeerde theologen in de afgelopen eeuwen meermalen de lijn getrokken hebben: tot hier toe en niet verder met de kritiek op de bijbel! En hoe die stellingen intussen al lang weer verlaten zijn. Dat heeft iets triests en het moet je ook bescheiden maken bij het innemen van weer nieuwe stellingen voor vandaag, maar je vindt er toch óók een aanwijzing in, dat de geloofwaardigheid van de bijbel misschien méér was dan de rationele verdedigingslinie waar men zich in vastgebeten had.

Een gouden schat in een aarden vat

Eerbied, schroom èn een laconieke houding, dat lijkt mij dus geboden tegenover de oneffenheden die wij ervaren bij het luisteren naar de bijbel. Dat zal ertoe leiden, dat je vanuit Christus eerder zoekt naar het maximum aan respect voor de bijbelse overlevering dan naar het minimum. Het evangelie heeft iets van een gouden schat in een aarden vat. Westerse wetenschappers zouden onmiddellijk dat aarden vat kapot slaan en zeggen: zó kom je pas bij de gouden schat. Maar in het echt zul je het vat respecteren vanwege de schat. Lees: je gaat eerbiedig met Paulus om, want het is door zijn prediking dat God ons heeft willen “verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus”. Vergelijk voor de beeldspraak 2 Corinthe 4: 5-10.

Harmoniseren

Om nu een paar illustraties te geven van deze manier van lezen: tussen de vier evangeliën zie je soms verschillen in de beschrijving van één en dezelfde gebeurtenis. Je hoort vaak smalend spreken over mensen die (zoals dr. J. van Bruggen) proberen om een harmonie tussen de verschillende versies te bedenken. Ik snap dat smalen niet; het is toch het normaalste wat er is dat je probeert na te gaan of die tegenstellingen die je meent te zien, echt zijn? Aan de andere kant geloof ik ook niet dat je die pogingen tot harmoniseren (dat is: zo redeneren, dat het weer `klopt’) moet uitvoeren met een fanatisme alsof het geloof ervan afhangt. Alleen al omdat het juist een kenmerk van getuigen-verslagen is, dat ze in details van elkaar afwijken. Maar ook, en dat is een fundamentele kwestie, omdat wij ons niet moeten verbeelden dat alleen ònze manier van geschied-schrijven geldigheid heeft. Hiermee kom ik best in de richting van wat Loonstra schrijft. Maar het is bescheidener geformu­leerd. Niet met de pretentie dat we wetenschappelijk kunnen uitmaken hoe het denkraam van Lucas was, om eens iets te noemen. Toegegeven: dit lijkt vager dan wat Loonstra meldt over de Griekse en Hebreeuwse denkwijze. Maar die helderheid is een schijn-helderheid en heeft het nadeel dat men gaat denken dat je de wetenschap nodig hebt om de bijbel te verstaan.

Een ander voorbeeld: het inderdaad moeilijke punt hoe wij tegen de positie van de vrouw aankijken, vergeleken met wat je in de bijbel vindt. Als ik over die vraag nadenk vanuit Christus, dus vanuit het centrum van het geloof, dan zeg ik ook in dat opzicht, dat ik vanwege diep ontzag voor wat Paulus me leert over het centrum, geneigd zal zijn om ook heel intens te luisteren naar wat hij over de verhoudingen binnen het huwelijk schrijft. Zeker wanneer hij zich daarbij, als in Efeze 5, beroept op schepping en verlossing beiden.

Begrijpen of schrappen

Dit betekent dat ik eerder zoek te begrijpen wat het betekent dat de man het hoofd van zijn vrouw moet zijn, dan dat ik het zou schrappen. Ik zie dat het niet rijmt met hoe wij overigens denken en dat is best een moeite voor me. Als je me in m’n hart kijkt, dan houd ik het nòg op die Paulinische lijn, want wij proberen dat nou 50 jaar ànders en dat heeft niet uitsluitend zegen opgeleverd… En aan de andere kant: denken vanuit Christus, dat betekent ook dat je niet kùnt blijven knokken aan de marge. Daarom zou ik niet graag eindeloos over zo’n onderwerp als de plaats van de vrouw blijven strijden, want dan gaan we elkaar meten aan wat uiterlijk is.

Ik weet van oer-degelijk gereformeerde gezinsverzorgsters, die overal hulp bieden op voorwaarde dat er geen TV in huis is. Ik snap de motieven, maar het is wel een dun criterium! Zo vind ik het maar niks als dominees onder ons beoordeeld worden op de vraag hoe ze over de vrouw in het ambt denken. Het is toch niet zo geestelijk om iemand te beroepen omdat hij daar vóór is. Of om hem niet te beroepen omdat hij ertegen is. Of andersom, al naar gelang je ligging… Dan denk ik (naar beide kanten!): mensen, hebben jullie wel goed gekeken of hij de volheid van de liefde van Christus preekt en of hij met het woord weet te vermanen, bemoedigen en vertroosten?

Maar heb ik met deze mooie redenering Paulus’ onderwijs over de verhoudingen binnen het huwelijk nu niet onschadelijk gemaakt? Nee, je zult zien dat er zegen in ligt wanneer je het stof van de traditie eraf blaast en echt gaat luisteren naar wat de apostel daar leert. Maar begin nou maar met het belangrijkste: dat je Christus aanvaardt als verlosser, ook voor je huwelijk. En dat je elkaar liefhebt met de liefde die Hij ons voordeed. Dan begin je in elk geval aan de belangrijkste kant!

Goed, tot zover een beknopte schets van hoe de betrouwbaarheid van de bijbel centraal kan staan vanuit het centrum. Ik zou het geweldig vinden, als we dáár verder over denken en dan ook gelovig en nuchter omgaan met moeiten die er best kunnen zijn bij het lezen van het woord dat ten leven leidt.