Gelijk ook wij vergeven

Vergeef meIn het volmaakte gebed leerde Jezus ons, te bidden: “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”. Uit dat gebed blijkt, dat Gods vergeving aan ons en onze vergeving aan elkaar iets met elkaar te maken hebben. Hoe ze met elkaar te maken hebben, dat is nog een ander verhaal. Maar ze hebben met elkaar te maken en in dit hoofdstuk wil ik bepleiten om zo diep mogelijk in te dalen in de vragen die menselijke vergeving oproept. Ik heb namelijk de stille hoop, dat we door ons te verdiepen in wat er gebeurt bij vergeving tussen mensen, ook dichter komen bij het geheim van God, dat vergeving heet.

Ik heb daarover veel geleerd, toen ik met jongeren in gesprek ging over wat er nodig is om elkaar te vergeven. Ik bedoel nu om elkaar te vergeven als iemand je ècht pijn gedaan heeft. Het proces van vergeving begint met schuld belijden, excuses aanbieden, sorry zeggen. De jongeren met wie ik sprak, wisten haarscherp wat er vaak fout gaat bij zulke excuses. Als iemand sorry zegt en dan meteen wegkijkt, dan kan het niet echt zijn. In feite moet hij me aankijken en dan moet ik in zijn ogen zien, dat hij iets van mijn pijn voelt. En ik moet dat niet alleen zien, maar ook horen. Namelijk doordat hij niet in het algemeen sorry zegt, maar veel preciezer, door onder woorden te brengen wat hij verkeerd gedaan heeft.

Een ander onderscheid dat deze jongeren wisten te maken was, dat het niet genoeg is als iemand heeft spijt over de gevòlgen van zijn daden, maar over die daden zelf. Dat zijn allemaal heel belangrijke onderscheidingen. Ze gelden ook in de verhouding tot God: kan God ons in de ogen kijken en dan aan ons zien, dat we iets voelen van de pijn die we God gedaan hebben?

De moeilijkste vraag in de praktijk is misschien wel: hoe moet het dan als die ander voor mijn besef nìet werkelijk schuld belijdt? Moet ik dan ook vergeven, kan ik dan ook vergeven? Jezus zegt daarover: “Indien uw broeder zondigt, bestraf hem, en indien hij berouw heeft, vergeef hem. En zelfs indien hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal tot u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, zult gij het hem vergeven”. Wat Jezus hier vraagt, is buitengewoon zwaar. Maar het gaat in elk geval over de situatie, waarbij die ander berouw heeft, schuld belijdt. Daarom is het antwoord in principe: nee, vergeving kan niet altijd. Het is echt nodig, dat de ander zijn schuld belijdt. En in elk geval mogen we zo’n vergeving niet van iemand vràgen, omdat Jezus het ook niet vraagt. Er is nog wel iets meer over te zeggen, ik kom daar op terug. Maar de hoofdzaak is dat we moeten begrijpen, dat hier grenzen liggen.

Het is trouwens toch belangrijk, dat we erkennen hoe moeilijk vergeven is. Je vader en moeder vergeven voor wat ze je vernederd hebben; iemand vergeven die je psychisch kapot gemaakt of lichamelijk aangerand heeft, dat is onmenselijk moeilijk.

Hoe moeilijk dat is, hoeveel zulke vergeving kost – juist christenen behoren dat te weten. Want als het goed is, weten wij er iets van, hoeveel het God gekost heeft om ons te vergeven. Het zijn ongelovigen, die hier mee kunnen spotten: dat is mooi makkelijk, als je maar vergeving hoeft te vragen en het is over! En het zijn vrijzinnigen, die het bloed van Christus geschrapt hebben: God wilde geen bloed zien! Maar gereformeerden en evangelischen zeggen te weten: God heeft veel wonderen gedaan, maar het grootste wonder is de vergeving. Daar heeft Hij alles in gelegd wat Hij had en het heeft Hem alles gekost.

En juist als we begrijpen hoeveel het kost, hoe bovenmenselijk zwaar vergeven is, dan zouden we er niet zo goedkoop over moeten praten. Ik ken verschillende slachtoffers van intimidatie, misbruik en ontrouw die in de kerk zijn doodgegooid met vergeving. “Nou moet je toch eens vergeven, het is nu al een half jaar geleden. Dat is gewoon je christenplicht!”. Als er in de kerk zo gesproken wordt, kan dat verwoestende effecten hebben. Door een rare omkering gebeurt het tòch al, dat slachtoffers zich de schuldige voelen. En dat wordt alleen maar erger door zo’n eis waar ze niet aan kunnen voldoen: vergeven!

Maar is het dan niet gewoon wáár, dat je je naaste moet vergeven, zoals God ons vergeeft? Mag dat dan niet meer gezegd worden? Ja zeker wel, Jezus zelf leert ons dat zelfs. Maar je kunt er nooit anders dan met vreze en beven over spreken, en zeker niet goedkoop. Toen ik een van mijn catechisanten vroeg, wat de woorden ‘gelijk ook wij vergeven’ volgens hem betekenden, zei hij aarzelend: “ik hoop niet, dat het betekent dat God mij pas wil vergeven als ik eerst iedereen vergeven heb”. Ik proefde daar de eerbied voor dit woord van Christus uit.

Mijn vader was ooit predikant in een dorp, waar de mensen elkaar al generaties lang kenden. Daar heb je ook soms van die ruzies, die al generaties lang doorgaan. Eens sprak mijn vader met een boer die in zo’n eindeloze vete verwikkeld was en hij vroeg de man: “hoe kun je nou zo aan die haat en je eigen gelijk vasthouden, als je toch elke dag bidt ‘gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’?”. De man keek hem ernstig en nadenkend aan en antwoordde toen: “dominee heeft gelijk, dan zal ik dat voortaan weglaten”…

Wij moesten ook erg lachen, toen we het voor het eerst hoorden. Maar inmiddels ben ik die man gaan waarderen: hij had in elk geval het probleem goed gezien. “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”. Wie zich nog nooit lam geschrokken is van dat gebed, staat er misschien verder vanaf dan de boer die overwoog een paar woorden weg te laten.

Maar goed, hoe zit het dan? Is het dan echt zo, dat God tegen ons zegt: eerst zul jij moeten vergeven en dan doe Ik het? Is het een voorwaarde vooraf voor het ontvangen van God vergeving? Ik zou zeggen: dat is onmogelijk en wel om twee redenen. In de eerste plaats omdat geen mens volkomen aan die voorwaarde zou kunnen voldoen. En in de tweede plaats omdat het regelrecht zou ingaan tegen de hoofdlijn van het evangelie, dat ons vertelt over de oneindige en onvoorwaardelijke liefde van God.

Zelf ben ik dit gebed pas gaan verstaan, toen ik als één uit de serie teksten herkende, waarin het Nieuwe Testament ons Jezus ten voorbeeld stelt. Op verschillende plaatsen immers wordt ons voorgehouden om Jezus na te volgen, om Hem als voorbeeld te nemen. Er is met die vergelijkingen iets merkwaardigs: het gaat eigenlijk altijd om een onmogelijk voorbeeld. Jezus had verschillende voorbeeldige trekjes en mooie eigenschappen. Maar je leest haast nooit dat we net als Hij vriendelijk moeten zijn, of net als Hij de treurenden troosten. Nee, de vergelijking richt zich vrijwel steeds op precies dat éne van Jezus, dat we nooit na kunnen doen: op zijn offer aan het kruis voor onze zonden. “Laat die gezindheid bij u zijn, die ook in Christus Jezus was”, die zijn Gode gelijk zijn opgegeven heeft om gehoorzaam te worden tot de dood aan het kruis (Filippenzen 2). Bij de aansporing voor een collecte brengt Paulus ter sprake “dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was” (2 Korintiërs 8) en hij vraagt mannen, hun vrouw lief te hebben “evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft” (Efeziërs 5).

Ik ben er van overtuigd, dat niet per ongeluk steeds het moeilijkste èn het belangrijkste uit het werk van Jezus ons ten voorbeeld wordt gesteld. Het dringt ons ertoe, te vluchten tot Christus en zijn offer. Het betekent ook, dat het al te makkelijke idee van ‘wij zijn navolgers van Christus’ bij de bodem afgesneden wordt! Want Jezus volgen, dat kun je pas nadat je gemerkt hebt dat je het niet kunt. Pas wanneer je lege handen hebt, dan kun je bidden.

En ik denk, dat het daarom draait bij de woorden “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren”. Ze zijn een gebed. Het is geen kwestie van geven en nemen. Niet: kijk mij eens vergeven, nu bent U aan de beurt. Nee, ik denk dat het twee keer bidden is en dus twee keer genade.

Dan blijven er nog een heleboel vragen over, waar we het ook nog over moeten hebben. Maar dan is alle makkelijk gepraat over ‘vergeven is gewoon je christen-plicht’ afgesneden. En aan de andere kant hoef je je ook niet in te stellen op een wraakgevoel zonder einde. Je gaat ervoor bidden. Dat vind ik al heel wat.

Gelijk God u vergeeft

“Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Here u vergeven heeft, doet ook gij evenzo” – zo staat het in al z’n eenvoud, glanzend en uitdagend, in Kolossenzen 3:13. Het is als een hoge berg, wanneer je het ziet als een eis waar wij aan moeten voldoen. Maar het zou iets stralend moois zijn, als God zelf ons dit zou willen geven: het vermogen om net zo te vergeven als Hij zelf gedaan heeft.

Hòe heeft God ons dan vergeven? Wat is nou het specifieke van de manier, waarop God ons vergeeft?

Ik kwam onder de indruk van wat daarover geschreven staat in Romeinen 5. Het gaat daar over de vraag, hoe wij de ‘toegang’ hebben gekregen tot de genade. Met andere woorden: hoe zijn wij er eigenlijk bij gekomen, bij het geloof en de genade?

Het valt me op, dat Paulus in de verzen 6-10 met stijgende verwondering lijkt te beschrijven, op wat een vreemde manier wij erbij gekomen zijn. Eerst beschrijft hij, dat Christus “toen wij nog zwak waren” (vs. 6) voor ons wilde sterven. ‘t Is niet dat wij zulke sterke gelovigen waren en dat Hij ons daarom aannam, nee, het is eerder andersom. Tweede stap: het is zelfs zo, dat Christus “toen wij nog zondaren waren” (vs. 8) voor ons gestorven is. We waren niet alleen zwak, maar we waren zondaren. En daar komt dan als derde stap overheen: we zijn “toen wij vijanden waren” (vs. 10) met God verzoend. In deze opklimmende reeks proef ik de verwondering van Paulus over iets wat hij natuurlijk wel vaker uitdrukt: dat God in zijn genade voor ons onvoorwaardelijk is. Die genade is, om het met traditionele woorden te zeggen, niet voor vrome kerkmensen, maar voor zondaren. En om het nog nauwkeuriger te zeggen: niet voor zondaren die éérst berouw hebben, maar voor mensen die dood zijn in hun overtredingen en zonden. Mensen die zwak waren, nee, zondaren, nee, vijanden van God.

We raken hier wel aan een geheim, dat je niet in een doosje kunt stoppen. Veel theologen hebben daar de tanden op stuk gebroken. Zonder berouw is er in feite geen vergeving mogelijk – het is geen automatisme. Maar voordat Gods genade ons bereikt heeft, zijn we niet eens in staat om berouw te hebben, geloof te schenken, Christus te aanvaarden. Daarom komen we er alleen als God genade souverein is, onvoorwaardelijk.

Mijn punt is nu dit: je kunt de grote en ingewikkelde woorden die hiervoor gebruikt zijn, wel afdoen als dogmatisch, maar ik merk hoe echt en waardevol ze zijn in de praktijk van de vergeving tussen mensen. Vrijwel altijd ontmoet ik in het pastoraat mensen die, vaak onder tranen, zeggen: ik wil wel vergeven, maar ik kàn het niet omdat de dader geen echt, geen werkelijk berouw heeft. Dat is schering en inslag. Welnu, speelt daar niet precies diezelfde tere kwestie, moeilijk onder woorden te brengen maar toch heel belangrijk, die ook tussen God en ons speelt? Om te beginnen is het wáár dat er pas vergeving kan zijn na berouw. Maar tegelijk moet je zeggen: met die regel, hoe waar ook, kom je er nooit uit. Het is net of degene die je iets vreselijks aangedaan heeft, ook tegenover jou “dood is in overtredingen en zonden”. Alsof hij gewoon geen berouw kan opbrengen, niet in staat is om een opening te maken waardoor de relatie hersteld kan worden. En als je dan (met goed recht) zegt dat hij eerst berouw moet hebben, dan lijk je gedoemd om voor altijd eiser te blijven, zonder uitzicht op herstel. Zou er nou voor die intermenselijke vergeving niet iets te leren zijn, of liever nog iets te ontvangen, van God?

Verdraagt elkaar en vergeeft elkaar, gelijk ook de Here u vergeven heeft. En hoe deed Hij dat? Op een of andere manier wist Hij de impasse te doorbreken. Hij vergaf ons toen wij nog zwak waren, toen wij nog zondaren waren, toen wij nog vijanden waren. Zelf voordat we diep berouw hadden.

Waarom zou God dat eigenlijk gedaan hebben? Waarom zou Hij die vergeving opgebracht hebben op een onmogelijk moment en tegen de hoogste prijs? Antwoord: vanwege zijn grote liefde voor ons, mensen, zijn schepselen. Goed, dat is helemaal waar. Het komt door zijn liefde. Maar zo simpel ligt het toch niet. Want er staat dat Hij zich met ons wilde verzoenen toen wij nog vijanden waren. En ik geloof niet dat je dat zo clean moet lezen alsof wij slechts zijn vijanden waren en niet ook andersom. Nee, ik geloof op basis van de Bijbel dat God ook zelf echt woedend was. Ga maar na: Hij heeft ons, mensen, zo mooi gemaakt en kijk nou eens wat wij ervan gemaakt hebben. Het doet God pijn, Hij is er verdrietig om èn er is zijn werkelijke toorn, zijn woede. En nog met recht ook.

Maar… kennelijk wilde God dat zo niet laten. En als Hij zou wachten totdat zijn mensen werkelijk diep berouw hadden, dan kon Hij lang wachten. Maar dat wilde Hij niet. Laat ik zeggen: een verloren zoon, dat betekent ook dat God hem kwijt is. En God, die liefde is, moest Hij dan voor eeuwig met die toorn leven? Ik wil hiermee zeggen: we zullen nooit begrijpen waarom God zijn Zoon gegeven heeft. Maar Hij had er wel redenen voor. Hij had er belang bij, het belang van de liefde.

En hoe ligt dat bij ons, hier op aarde? Wie heeft er belang bij vergeving, de dader of het slachtoffer? Als iemand mij jarenlang getreiterd heeft (dat is al niet niks, maar je kunt veel ergere dingen invullen), dan komt het een keer tot een ontlading van mijn woede. Dat kan een poos duren, maar op een gegeven moment hangt er dan als vraag het woord ‘vergeving’ in de lucht, dat kan niet missen. Heeft de dader dan spijt van wat hij me aandeed? Misschien, misschien, maar je weet nooit of hij het echt begrijpt.

En wie heeft er op zo’n moment belang bij vergeving? Je zou zeggen de dader. Ik schenk hem immers vergeving (of niet). Toch is dat het hele verhaal niet. Ik kan er zélf niet mee verder om in haat te blijven leven, er moet een keer een punt achter, want anders blijf ik levenslang slachtoffer. Of ik ook vergeven kàn, dat is een andere vraag. Maar ik heb in elk geval zelf belang bij die vergeving, anders klopt de vraag om vergeving altijd weer aan mijn deur.

Wat is in zo’n situatie eigenlijk vergeving, die ik al dan niet zou geven? Tot mijn verbazing bleek dit in de gesprekken die ik erover had altijd nog de moeilijkste vraag. Onmiddellijk komt dan altijd de uitdrukking ‘vergeven en vergeten’ om de hoek. En dat is natuurlijk een onmogelijke uitleg, want dat red je nooit. Ik vergeet nooit dat een meisje tegen me zei: “vergeven, dat is dat ik het niet erg meer vind wat die ander me aangedaan heeft”. Ik schrok me naar, toen ik dat hoorde. Met wat een onmogelijke eis aan zichzelf heeft ze al die tijd geleefd! Toen ik haar vroeg of dat wel eens gelukt was, toen brak het dan ook ineens en kwamen de tranen van wanhoop. We maken dan van vergeving een torenhoge eis, iets wat onmogelijk is.

Daarom probeer ik het nu eens over een andere boeg. Kun je het misschien zo zeggen: vergeven, dat is ophouden te beschuldigen, afzien van wraak, de ander laten gaan, hem loslaten.

Deze uitleg steunt op de letterlijke betekenis van het woord afhièmi, dat in de Bijbel gebruikt wordt voor vergeven. Het betekent iemand laten gaan, hem achterlaten. Soms wordt het voor heel gewone dingen gebruikt: de discipelen lieten hun vader Zebedeüs achter. Of: wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen. Daar wordt precies hetzelfde woord gebruikt als voor vergeven. Loslaten. Laten gaan. Daar komt vergeven uiteindelijk op neer.

Misschien vindt u deze uitleg wel te mager. En ik stem ook toe dat er, ideaal gesproken, nog meer zou moeten gebeuren. Namelijk dat er verzoening zou volgen, dat betekent dat de relatie hersteld wordt. Dat is inderdaad veel mooier, maar het is niet altijd haalbaar.

En daarom begin ik vergeving graag bij de eenvoudige bijbelse betekenis van het ‘loslaten’. Niet dat het dan simpel is, trouwens. Ik zit vast aan de dader en het zou me ontzettend veel kosten om die band te verbreken. Hoe groter het kwaad is dat hij me aangedaan heeft, hoe zwaarder het is om de ander los te laten. En wat het zo zwaar maakt, dat is… schuld. Er ligt een echte blokkade en die heet schuld. Daar moet iets mee, het is geen bedenksel van mensen die zich aanstellen. Dat kun je trouwens ook al afleiden uit het gegeven, dat God zelf niet zomaar kon zeggen: Ik stop met beschuldigen en Ik vergeef die mensen. Het duidelijkste bewijs dat dit onmogelijk is, is het feit dat God zijn eigen Zoon gegeven heeft als offer voor de schuld. Hij zou dat toch nooit gedaan hebben als Hij ook zomaar had kunnen zeggen: Ik vergeef jullie?

Om de vergeving werkelijk te verstaan in de hoop dat we het ook zelf kunnen pakken, hebben we het nodig om apart stil te staan bij dat merkwaardige begrip ‘schuld’.

De diepte van de zee

Ik las pas het verhaal van een man, die een belangrijke conferentie had meegemaakt. Op een mooie buitenplaats waren dertig mensen uitgenodigd: tien joodse rabbi’s, tien imams voor de Islam en tien priesters en dominees voor de christelijke kerk. Gedurende de conferentie werd er natuurlijk veel gepraat over godsdienst, over overeenkomsten en verschillen. Maar het meest indrukwekkend was, dat ze ook elkaars eredienst meemaakten. Dat komt mooi uit: de imam op vrijdag, de rabbi op zaterdag en de dominee op zondag. Allemaal hielden ze hun eredienst. Wat opviel is, dat er eigenlijk heel veel overeenkomsten zijn. In elke eredienst wordt er gelezen uit een heilig boek, er gaat iemand preken, samen ga je zingen en er wordt gebeden. Je zou er nog raar van opkijken, hoeveel er eigenlijk hetzelfde is.

Maar wat, zo vroeg de schrijver, is nu uiteindelijk het verschil? Waarin onderscheidt zich de christelijke eredienst? Dat is in het Avondmaal. In het gebroken brood. In de woorden over “mijn lichaam dat gegeven is” en “mijn bloed dat vergoten is”. Dàt is het onderscheid. Niet dat de christelijke dienst mooier is, of ernstiger, maar dit: het gebroken brood. De wonden van Jezus Christus. In geen enkele godsdienst kan men zich dat zelfs maar voorstellen: een Knecht van God, zijn eigen Zoon, die niet eindigt met een groot succes maar met de dood.

Daarom gaat christelijk geloof niet in de eerste plaats over succes of rijkdom en geluk. Zelfs niet over genezing en troost – dat vind je in elke godsdienst. Maar in de eerste plaats gaat het over gebroken brood, vergoten bloed. Jezus Christus en die gekruisigd. Waarom is dat eigenlijk zo? Antwoord: vanwege de vergeving der zonden. Goed, dat is waar. Maar waarom is daar nu ten diepste dat vergoten bloed bij nodig?

Ik moet denken aan Psalm 103. Dat is een kostbare psalm over de genade van God. Over de volheid van zijn genade: die al uw ongerechtigheden vergeeft, die uw krankheden geneest en uw leven verlost van de groeve. In die psalm, het is vers 12, komen we de overbekende woorden tegen: “Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons”.

Dat is heel ver weg. Maar als Hij de zonden zo ver weg doet, waar laat Hij ze dan?

Dat vind ik een intrigerende vraag. Als Hij de zonden zover weg doet, waar laat Hij ze dan? Ik weet dat die vraag bij velen als onzin zal overkomen. Gewoon, Hij vergeeft die zonden en Hij denkt er niet meer aan. Dan blijft er toch niks van over? Je krijgt een nieuwe kans om het voortaan goed te doen.

Op deze manier praten we ook onderling over misdaden en onrecht. Het gaat er maar om, dat hij het nooit meer doet. En verder is er niks. Zo werd het onder ons bijvoorbeeld ook decennia lang voorgesteld in het strafrecht. Wat is de zin ervan als een rechter straf uitspreekt? Het is afschrikking, het is voorkomen dat hij het nog eens doet, het is een lesje leren en idealiter ook opvoeding.

Al die omschrijvingen zijn best, maar er wordt één ding in vergeten. En dat is dit: misdaad maakt schuld. En daar moet iets mee. Daar is vergelding voor nodig. Misdaad maakt schuld en schuld eist boete. Heel lang is dat idee in onze samenleving genegeerd en als iets primitiefs beschouwd. Zo kon in Nederland een systeem ontstaan dat uniek in de wereld is: TBS, ter beschikking stelling van de regering. Het gaat er dan om, dat de overheid afziet van straf en zo snel mogelijk met behandeling begint. Dat systeem is in veel opzichten geweldig waardevol. De Belg Marc Dutroux zou in Nederland al lang in het TBS-systeem gekomen zijn, zo las ik. Er is dus veel goeds van te zeggen. Maar juist de laatste jaren lopen we ook tegen de grenzen van het systeem aan. Zware misdaden verdragen het niet, dat volstaan wordt met een behandeling. En zo kwamen er rechterlijke uitspraken die niemand vroeger geloofd zou hebben: een combinatie van eerst vier, tien of zelfs twintig jaar gevangenisstraf, gevolgd door TBS. Dat is helemaal tegen de officiële leer in, want als je behandeling wilt geven, moet dat zo snel mogelijk beginnen en niet na zoveel jaren gevangenis. Toch blijkt dat we er niet buiten kunnen: misdaad maakt schuld en daar moet iets mee. Ook bij zinloos geweld en verkrachtingen komt het woord ‘vergelding’ weer terug in het debat. Al is de dader nog zo verknipt en zielig, toch moet er iets met zijn schuld. En ik zie dat niet als primitief of aanstellerij, maar als een echte werkelijkheid.

In elk geval speelt dat ook in de Bijbel bij de schuld die wij tegenover God hebben. In het Oude Testament wordt er in beelden over gesproken: God doet onze zonden van ons weg, zo ver het westen is van het oosten. Of Hij werpt ze in de diepten van de zee, zoals vaten met gif worden gedumpt. Of, nog een beeld, de zonden worden gelegd op de kop van een bok die voor Azazel is (wat dat ook moge betekenen) en die zondebok wordt zo ver mogelijk de woestijn in gedreven. Het zijn allemaal beelden om het probleem aan te duiden. Maar de vraag wordt er niet mee opgelost: waar blijven die zonden dan?

En dat is wel een belangrijke vraag, want als er geen antwoord op is, dan kunnen ze ook altijd weer terug komen. Zoals wij dat weten uit de narigheden in een huwelijk. Zelfs als het uitgepraat is, dan kan het op een ongelegen moment zo weer boven water komen. Ouwe koeien kunnen zomaar uit de sloot komen. En als die ouwe bok nu eens terugkomt uit de woestijn? Als die vaten op de bodem der zee nu eens gaan lekken?

De vraag blijft dus open. Er is, ook in het Oude Testament, al wel iets over te leren. In het verhaal over de zondebok komt nòg een bok voor en dat is een bok die geslacht wordt, waarbij het bloed gegeven is als verzoening voor de zonden. Vele schapen en runderen zijn daarvoor geslacht. Maar de vraag blijft open: hoeveel schapen zouden er nodig zijn? Weet je ooit zeker, dat er straks bij het laatste oordeel geen schuld meer open staat?

In het evangelie ontmoeten we Jezus Christus als het antwoord op juist deze vraag. Hij is, zoals we dat zeggen, de vervulling van alle offers waar de Bijbel over spreekt. Laat ik er eerlijk bij zeggen: het is niet, dat ik dat antwoord nu zo geweldig begrijp. Die open vraag ‘waar laat God de zonden?’, die wordt voor mij niet glashelder beantwoord in het verhaal van Jezus’ dood en opstanding. Als de schuld door Hem betaald wordt, aan wie wordt die dan betaald? En hoe is het denkbaar, dat morele schuld op een ander overgedragen wordt – dat zijn vragen waar ik zo graag het antwoord op zou weten en ik weet het niet. Maar ik zie er in elk geval in, dat God die kwestie van schuld en vergelding buitengewoon serieus neemt. Zo serieus, dat Hij zijn Zoon ervoor gaf. En dat helpt me wel om bij kwesties van vergeving tussen mensen de ‘schuld’ en ‘vergelding’ precies zo serieus te nemen. Om het niet te beschouwen als een primitief trekje of als aanstellerij van het slachtoffer.

Daarnaast – en dat is natuurlijk minstens zo belangrijk – proef ik in het evangelie van Goede Vrijdag ook, dat God van zijn kant alle onzekerheid over de vraag of die zonden ooit weer terug zullen komen, weg wil nemen. Een zondebok – ik weet nooit of die nog eens terugkomt. Maar zonden waarvoor de hoogste prijs is betaald – die zijn voorgoed verzwolgen, want de schuld is voldaan.

En het punt voor dit hoofdstuk is nu, dat ik zou willen zoeken of ergens bij dit binnenste geheim van God misschien hulp te vinden is voor dat moeilijke proces tussen mensen, dat vergeving heet. Vergeven, dat is loslaten, zo zei ik het in het vorig hoofdstuk op z’n kortst. Maar dat loslaten doe je niet in een enkele stap. Het is van groot belang, te zien dat het een heel proces is; dr. Hegger schrijft daarover in zijn bijdrage.

Welnu, door heel dat proces heen, van erkenning en woede via de vraag of het ook anders kan, tot aan vergeving en genezing, staat in grote letters als een open vraag het woord SCHULD. En er moet iets met die schuld. Er niet meer aan denken, dat werkt alleen bij een kleinigheid. Maar als je echt iets aangedaan is en je negeert die kwestie van de schuld die de ander heeft, dan werkt dat als een kokende pot met een deksel erop: vroeg of laat springt hij eraf met een enorme knal. Dat de schuld van de dader door je hoofd spookt, dat belemmert de vergeving. En dat is niet gek, dat is niet slecht, dat is echt. Want schuld is echt.

Voor een antwoord daarop denk ik, dat je soms Romeinen 12 en 13 nodig hebt. In Romeinen 12: 9-21 vinden we een “opwekking tot liefde”. Er staan prachtige dingen in over liefde en gastvrijheid, over geduld en volharding. Maar het gaat ook over vergelding en wraak. “Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here” (vs. 19). Dat klinkt beduidend minder mooi en toch hoort het erbij. Want je vijand liefhebben en vrede houden met alle mensen, dat doe je niet door lief te doen, je gevoel te ontkennen en de schuld toe te dekken. Maar er valt ook niet mee te leven om wild om je heen te slaan en zelf je wraak te halen. Nee, er moet iets anders mee. De schuld van de dader schreeuwt om vergelding. Als je daar niks aan doet dan verteert het je en dat houd je niet uit.

Eén kant die je met die schuld uitkunt, staat in het volgende hoofdstuk beschreven, in Romeinen 13. Daar komen wraak en vergelding terug in de woorden over de overheid, waarvan staat geschreven: “zij staat immers in dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die het kwaad bedrijft”. Voor ons onderwerp leid ik daaruit af, dat het volkomen legitiem is wanneer bijvoorbeeld een slachtoffer van seksueel misbruik er de politie en de rechter bij wil halen. Laat niemand roepen dat het onchristelijk zou zijn of haaks op vergeving staan, wanneer een slachtoffer de dader voor de rechter wil zien. Dat is een instelling van God, u ten goede. En het is in zijn dienst, dat de overheid de loden last van wraakgevoelens van het slachtoffer af kan nemen door in zijn of haar plaats vergelding uit te oefenen.

Het hoort er helemaal bij. En tegelijk, tegelijk is dat ook nooit afdoende. “Het slachtoffer heeft levenslang” – zo hoor je maar al te vaak als reactie op een vonnis. En dat is waar. Ook een verdubbeling van de straffen zou dat probleem niet oplossen. Daarom is voor het loslaten niet alleen Gods dienaar maar vooral God zelf nodig. En dat omvat, dat je de wraak in zijn handen legt. Er zijn situaties waarin je het nodig hebt om te weten dat er een echt oordeel komt. Dat de beul niet eeuwig een voorsprong heeft op het slachtoffer en dat er recht zal worden gedaan.

Niemand zal beweren, dat dit een mooi of een dierbaar omgaan met God is. Maar je kunt het nodig hebben. Nodig voor die kernbetekenis van vergeving: het loslaten van de dader. Heel bewust mag je plaats laten voor de toorn, door het in handen te leggen van Hem, die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden.

Het is al geweldig, wanneer je door Gods hulp zover komen kan om de persoonlijke wraak helemaal af te leggen en het te leggen in Gods hand. Een bevrijding kan het zijn. Tegelijk geloof ik, dat God nóg meer klaar heeft liggen. En dat is genezing. Innerlijke genezing, wanneer er genade van God mag neerdalen op de lege plaats waar eerst de haat zat. Maar die genezing is niet ‘je christenplicht’. Er zijn ook geen makkelijke recepten voor te vinden. Als je nu eens iemand vindt, die er met je voor wil bidden. Zonder te duwen en zonder te claimen. Zou dat niet de taak van de christelijke gemeente zijn?

Eerder verschenen in Willem Smouter en Cor Blom (red.), Vergeef me… Verzoening tussen mensen en met God. Zoetermeer 2001