Wright over de plaats van Israël bij Paulus

wright

Ik lees de boeken van Tom Wright met veel plezier (al kom ik aan z’n dikke werken maar matig toe…), en laat ik eens puntsgewijs benoemen waarom.

Als buitenverbander lees ik met instemming dat de focus van onze verwachting niet is dat wij weg mogen naar de hemel, maar dat Christus terugkomt naar de aarde. Maar Wright gaat, en dat is mooi, niet zover dat er ‘niets’ zou zijn tussen sterven en opstanding.

Als gereformeerde jongen lees ik met instemming zijn sterke heilshistorische lijnen. Van Abraham, via de exodus en de profeten ziet alles vooruit naar Christus.

Als New Wine-man vind ik het mooi dat hij uitgesproken kingdom-theology biedt: Gods plan vanaf het begin is zijn werk tot aan het eind, waarbij het Koninkrijk centraal staat en wij mensen geroepen zijn om koningen en priesters te zijn. Maar terecht verbindt hij dat steeds ten diepste met de boodschap van het kruis.

Als wekelijkse prediker heb ik enorm veel aan zijn commentaar ‘for everyone’ op het hele Nieuwe Testament. Vooral dat hij Jezus en Paulus steeds leest tegen de achtergrond van de joodse wereld van de eerst eeuw vind ik intrigerend en verhelderend.

Vandaag verschenen in Opbouw, 58e jrg nr 19
Lees pdf in pagina-opmaak

Maar dit keer concentreer ik me op een studie van Wright naar de plaats van Israël in het denken van Paulus. Daarover is te lezen in zijn boek ‘Paul and the faitfullness of God’, maar ik verwijs nu naar de slotlezing die hij in maart van dit jaar hield op een conferentie van Houston Baptist University. Je vindt de lezing op Youtube:

Hij bespreekt tien belangrijke kenmerken van wat Israël is en Joods mocht heten  –  en wat Paulus daarmee doet. Bij elk van de tien kun je zeggen: Paulus predikt niet iets anders dan wat Israël typeerde, maar hij spreekt er op nieuwe manier over, door Christus en de Geest. Sinds Christus’ kruis en opstanding kunnen we niet anders dan op nieuwe manier spreken over Gods bedoeling met Israël.

Voorouders

Het eerste punt van Israëls identiteit is natuurlijk: het geloof in één God. Dat is al vanaf Deuteronomium 6, het ‘hoor Israël’, de kern. Paulus is daar ook heel duidelijk over in 1 Korintiërs 8: “wij weten dat er in de hele wereld niet één afgod echt bestaat en dat er maar één God is” (vs 4). Maar dat geloof hebben wij toch niet anders dan via Jezus Christus, lees meteen daarna “wij weten: er is één God, de Vader, uit wie alles is ontstaan en voor wie wij zijn bestemd, en één Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven”. Wel te verstaan: dat is het aloude ‘Hoor Israël’ maar dan met een uitbreiding tot op Christus en dat moet heftig overgekomen zijn in die tijd.

Een tweede identity marker van Israël is de wet, de Thora. Zeker, Paulus geeft de beperkingen van de thora aan: de thora is prachtig maar fluistert ook steeds in ons oor: je bent een zondaar! Door onze menselijke natuur kan zij ons niet redden. Maar verre van de thora af te schaffen spreekt Paulus over onze verlossing als gegeven door de thora, namelijk: “de thora van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de thora van de zonde en de dood” (Romeinen 8:2).

Over de besnijdenis als identiteit zou je zeggen: daar heeft Paulus helemaal niets mee. Maar let op, wat hij schrijft is niet dat de besnijdenis afgeschaft of vervangen wordt, maar dat de ware besnijdenis er een van het hart is en dat brengt hem tot de uitspraak “Want wij zijn de besnijdenis, wij die God in de Geest dienen en in Christus Jezus roemen en niet op het vlees vertrouwen” (Filippenzen 3:3, HSV).

Wezenlijk voor Israël is ook dat het apart van de volken, apart van de heidenen leeft. Paulus zegt niet dat dit er nu niet meer toe doet maar dat deze apartheid nu over heel de wereld bepaald wordt door de vraag of we ‘in Christus’ zijn. Neem een bijzondere zin als in 1 Korintiërs 12:2: “Zoals u weet was u in de tijd dat u nog heidenen was volledig in de ban van goden die taal noch teken geven”. ‘Toen u nog heidenen was…’,  wat zijn we nu dan? Paulus kan deze grotendeels heidense gemeente als geheel aanspreken met de woorden “Broeders en zusters, ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal door de zee trokken”  –  in Christus zijn het onze voorouders die uit Egypte werden bevrijd.

Enfin, meer zou te noemen zijn maar op alle punten kun je zeggen dat Paulus helemaal in de Joodse identiteit spreekt, maar dan met de spits gericht op Christus. Het is natuurlijk wel een spannende vraag: verzint hij dit nou ter plekke, of is het werkelijk zo dat God vanaf het begin doelde op Christus en daarmee op een gemeente uit heel de wereld? En komen al Paulus’ woorden (of Wright’s uitleg daarvan…) uiteindelijk niet neer op een vervangingsleer, dat de kerk in de plaats van Israël gekomen zou zijn?

Alles hangt af, merkt Wright terecht op, van de beslissende vraag: is Jezus echt de Messias van Israël of is hij het niet? Als hij de Messias van Israël is, dan is deze concentratie tot op Christus geen vervanging maar verwoording van de diepste bedoeling die God vanaf het begin met Israël had. Is hij niet de Messias van Israël, dan stort heel Paulus’ verhaal in elkaar.

Nieuw!

De geciteerde studie als geheel, dat verzeker ik u, is zeer de moeite waard om meer dan eens te beluisteren. Ik licht er één punt uit, waar ik graag apart bij stilsta. En dat is de betekenis van het Bijbelse woord ‘Nieuw’.

We lezen in de Bijbel over een nieuw verbond, over de nieuwe mens, de nieuwe aarde, een nieuw gebod, nieuw leven, het nieuwe Jeruzalem en ten slotte worden alle dingen nieuw. Nu is het probleem dat wij westerse mensen meteen denken aan oude spullen weggooien en iets nieuws kopen. Dan denk je bij het nieuwe verbond al gauw aan vervangingsleer en bij een nieuwe schepping aan hemelse of bovennatuurlijke zaken. Maar als Gods iets nieuws geeft omdat het oude kapot is, dan gooit hij niks weg maar dan herstelt hij het, nee, nog iets meer: dan vernieuwt hij het zo rijk als hij het ooit bedoeld had maar wat er nog niet uit gekomen was. Een nieuw gebod (elkaar liefhebben) is niet ineens iets heel anders dan “gij zult dit en gij zult dat”, maar het is wat God in wezen bedoelde toen hij de oude geboden gaf. Als wij nieuwe mensen worden, dan wordt ons mens-zijn niet vernietigd maar je zult nog meemaken hoe het ooit bedoeld is. En op de nieuwe aarde is de oude schepping niet gedumpt, maar…  eindelijk gelukt.

En als God in Christus, in zijn bloed, het nieuwe verbond aan de gemeente geeft, dan is dat geen vervanging van het oude verbond maar de realisatie van wat hij op Horeb en eerder bij Abraham al lang bedoelde. Dat noem je ‘vervulling’.

Paulus werkt dat zo schitterend uit in Galaten 3. Het verbond en de beloften waren voor Abraham en zijn zaad, inderdaad. Dus dat is het voorrecht van Israël. Maar goed, er stond eigenlijk toen al (in Genesis 12) bij “in jou zullen alle volken gezegend worden”. En bovendien (ondeugende uitleg maar wel raak): er stond niet ‘zaden’, meervoud, maar enkelvoud ‘uw zaad’ en dat is Christus.

Je mag er zeker van zijn: bij deze vernieuwing en concentratie tot op Christus is het “oude” verbond niet aan de straatkant gezet en Israël niet vervangen, maar in Christus begrijp je eindelijk waar het altijd al om ging. Dat is een zeer ingrijpende verandering van blikrichting, en je kunt onmogelijk over de oude mens, het oude gebod en het oude verbond spreken alsof ze zomaar het Koninkrijk kunnen binnenwandelen. Tot aan de jongste dag laat God niet varen wat zijn hand begon; hij onthult wel veel dieper wat hij vanaf het begin bedoelde: één volk uit heel de mensheid, één land dat de hele aarde omvat en één verbond waar je in Christus en door de Geest in leven mag.